Inleiding
Cornelius de Lannoy is een 16e-eeuwse alchemist uit de Lage Landen, waarover betrekkelijk weinig bekend is, zelfs zijn naam is onduidelijk. Dat is niet ongewoon zoals er ook over de 16e-eeuwse alchemist Isaac Hollandus onduidelijkheden zijn (1). Cornelius de Lannoy heeft wel een traktaat nagelaten dat inzicht geeft in de alchemie en de aanleiding vormde voor dit artikel.
Zijn achtergrond is onbekend en eigenlijk duikt hij pas op in de geschiedenis als hij zijn diensten aanbiedt aan koningin Elizabeth I van Engeland en Ierland (1533-1603). Hij beweert dat hij goud kan maken via transmutatie en ook het proces kent om een levenselixer te bereiden. Dit alles wil hij tegen een uiterst lucratieve vergoeding beschikbaar stellen aan de koningin. Het klinkt als de plot van een theaterstuk van Shakespeare.
Achtergrond van Cornelius de Lannoy
Helaas zijn er geen eigentijdse bronnen bekend, waarin de afkomst van Cornelius de Lannoy wordt verduidelijkt. Een extra complicatie is het gebruik van de alias namen Cornelius de Alneto en Cornelius Alvetanus Arnsrodius. Arnsrodius klinkt als een verwijzing naar een geboorteplaats, maar onzeker blijft welke stad of dorp, dat kan zijn. Hij is hoogstwaarschijnlijk afkomstig uit een voorname familie. Dit zou kunnen wijzen op de adellijke familie De Lannoy uit de gemeente Lannoy in het Franse departement in de regio Hauts-de-France (2). De gemeente maakt deel uit van het arrondissement Lille/Rijsel.
Er is ook een Nederlands adellijk geslacht met de naam De Lannoy, deze stamreeks begint met Martin de Lannoy, die in 1548 overleed (3). Gezien dit jaartal lijkt het niet waarschijnlijk dat Cornelius de Lannoy in die lijn past.
Volgens eigen zeggen heeft hij een opleiding genoten in Polen (Krakau) (4). Zijn echtgenote is Barbara de Lannoy.
Verblijf van Cornelius de Lannoy aan het hof van koningin Elizabeth I
Vanuit Brugge neemt Cornelius de Lannoy per brief (gedateerd 22 december 1564) contact op met William Cecil, First Baron Burghley (1520-1598) (5,6). Cecil is de belangrijkste adviseur van koningin Elizabeth I van Engeland. De koningin en haar adviseur Cecil zijn beiden zeer geïnteresseerd in alchemie. Vooral de hoge schuldenlast en een slecht gevulde schatkist maken het aanbod van Cornelius de Lannoy om goud te maken erg aanlokkelijk. De vorstin is dan 31 jaar en nog ongehuwd. Er is discussie in het koninkrijk over toekomstige troonopvolging en mogelijke huwelijkskandidaten. Er zal geld nodig zijn mocht het tot een huwelijksfestijn komen.
Het aanbod van Cornelius de Lannoy behelst het jaarlijks maken van 50.000 mark, ofwel £33.000, aan goud voor de Kroon (7). Dit is gelijk aan bijna een zesde van de gewone inkomsten van de Kroon. Naast het goud belooft hij ook andere metalen, diamanten, smaragden en meer edelstenen te maken. Blijkbaar is de belangstelling groot en hij laat er dan ook geen gras over groeien en verstuurt op 7 en 9 februari 1565 twee brieven gericht aan koningin Elizabeth I met verdere details betreffende de overeenkomst en zijn kennis van het transmutatie proces (8).
De voorwaarden van Cornelius de Lannoy zijn echter niet mis. Hij vraagt om een monopolie voor zijn eigen alchemistische processen en daarbij moet de Kroon alle gemaakte kosten dekken, zoals een laboratorium, grondstoffen en apparatuur. Ook verzoekt hij om een jaarlijkse toelage van £250 om een periode van ruim drie jaar te overbruggen, de tijd die hij nodig zou hebben om zijn beloftes in te lossen. Na onderhandeling wordt zijn jaarlijkse toelage £120 en krijgt hij een alchemistisch laboratorium in Somerset House in Londen. Na zijn aankomst in Engeland stelt Cecil een toezichthouder aan en deze Armigil Waad schat in augustus 1565 de initiële kosten voor inrichting van het laboratorium op £600 (9). Om zijn goede wil te tonen schrijft Cornelius de Lannoy op 14 juli 1565 een traktaat, dat hij opdraagt aan koningin Elizabeth I met de titel: De Conficiendo divino Elixire siue Lapide Philosophico, waarin hij zijn alchemistisch proces beschrijft. Hij schrijft dat traktaat terwijl hij al in Londen aan het werk is.
Er is nog een ander verhaal over de reden voor de overkomst van Cornelius de Lannoy naar Engeland. Hierin wordt hij door de Engelse regering aangesteld om de Engelse glasbereiding en verwerking op een hoger plan te brengen. Ook in dit verhaal gaat Cornelius de Lannoy aan het werk in Somerset House (10). Het is onwaarschijnlijk dat hij in Engeland zou verblijven met een dubbele opdracht. Het vooruitzicht van al het gewenste goud zal de echte reden voor zijn aanstelling zijn geweest en wellicht is het glas maken een dekmantel tegen al te nieuwsgierige pottenkijkers.
De verwachtingen zijn hoog gespannen en de belangen zijn enorm toen Cornelius de Lannoy aan zijn grote werk begint in het gloednieuwe laboratorium. Toen de resultaten uitbleven en de opdrachtgevers ongeduldig worden, begint hij excuses aan te voeren, zoals het Engelse glaswerk, dat van inferieure kwaliteit zou zijn vergeleken met het glaswerk waarmee hij eerder in de lage landen heeft gewerkt.
Het vertrouwen in Cornelius de Lannoy neemt af met het verstrijken van de tijd. Zowel koningin Elizabeth I alsook haar adviseur Cecil houden nog wel het volste vertrouwen in de mogelijkheid om substantiële hoeveelheden goud te maken via alchemie. In de persoon van Cornelius de Lannoy zien de opdrachtgevers echter het probleem. De volgende strubbelingen kwamen naar voren (11):
- Hij wordt ervan verdacht dat hij de koningin heeft bedrogen door informatie achter te houden en ook in zijn traktaat niet de volle waarheid zou hebben ontsloten.
- Hij zou allang succesvol zijn geweest, maar stiekem met de opbrengst hebben willen vluchten.
- Hij zou zich laten afleiden door de aankoop van een groot stuk grond in Oost-Pommeren (= Pommerellen, de Weichsel-delta in het huidige Polen) en zijn alchemistisch werk verwaarlozen.
- Zijn contact met prinses Cecilia van Zweden, die ook in Somerset House verbleef. Zij is op een missie om een huwelijk te arrangeren tussen koningin Elizabeth I en haar broer koning Eric XIV van Zweden. Zij heeft exorbitant veel geld uitgegeven en probeert bij Cornelius de Lannoy een lening af te sluiten. Toen ze samen een vluchtpoging naar Middelburg beramen, wordt de correspondentie begin 1566 onderschept door Cecils spionnen en belandt Cornelius de Lannoy in de gevangenis in de Tower. Ook daar wordt een laboratorium voor hem ingericht maar kan hij het beloofde goud eveneens niet leveren.
Daarna wordt het stil rond Cornelius de Lannoy. Midden 1566 schrijft hij nog wanhopige brieven naar Cecil, koningin Elizabeth I en de graaf van Leicester, die ook in het alchemistische project geïnteresseerd is geraakt. Deze graaf van Leicester was in 1585 aanvoerder van de Engelse troepen in Nederland om te strijden tegen de Spanjaarden. Barbara de Lannoy, de vrouw van Cornelius, heeft middels een ongedateerd smeekschrift (uit 1571?) gericht aan de invloedrijke graaf van Leicester, nog geprobeerd om haar man vrij te krijgen uit zijn ellendige opsluiting in de Tower, maar dit lijkt geen succes te hebben gehad.
Na het mislukte project om goud te maken van de Engelse Kroon met Cornelius de Lannoy zijn er nog meerdere gevolgd. De hoop op succes blijft levend aan het hof. In 1588 slagen Cecil en de koningin erin om de Engelse alchemist Edward Kelley te bewegen om terug te komen naar Engeland, waar hij actief is van 1588 tot 1593. Ook probeert de Engelse Kroon tussen 1593 en 1597 munt te slaan uit alchemistische preparaten van de Duitse alchemist Roloff Peterson uit Lübeck.
Het traktaat getiteld De Conficiendo divino Elixire siue Lapide Philosophico
Dit traktaat heeft Cornelius de Lannoy geschreven in 1565 en opgedragen aan koningin Elizabeth I. Het traktaat is pas in 1592 in Keulen in druk verschenen als onderdeel van een convoluut van drie alchemistische werken met als titel Secreta Secretorvm Raymvndi Lvllii Et Hermetis Philosophorvm In Libros Tres Divisa:
1. Ramon Llull, Secreta Secretorum Raymundi Lullii (pg 1-123);
2. Thomas van Aquino, De Esse et Essentia Mineralium Tractans (pg 124-142);
3. Cornelius de Lannoy, De Conficiendo divino Elixire siue Lapide Philosophico (pg 143-159). (Zie hiernaast, klik op afbeelding voor vergroting).
Later treffen we het traktaat eveneens aan in de verzameling handschriften van de hand van Thomas Robson, welke bewaard is gebleven in de Ashmolean collectie in de Bodleian bibliotheek te Oxford. In de catalogus staat 1606 genoteerd als datum (12).
Het traktaat vindt tevens een plek in de beroemde compilatie van alchemistische werken Theatrum Chemicum, Deel V (1622) en VI (1659-61), uitgegeven in Straatsburg door Lazarus Zetzner.
Het traktaat is geschreven in het Latijn en na transcriptie en vertaling komt er een redelijk goed leesbare tekst tevoorschijn. Dit houdt niet in dat een goed begrip van de inhoud gemakkelijk is.
Het traktaat begint met in detail uitgewerkte receptuur om twee oliën te bereiden. Eén voorbeeld van deze receptuur wordt hieronder weergegeven met waar mogelijk een moderne interpretatie. De rest van vertaalde manuscript staat in de bijlage en het Latijnse origineel is bijgevoegd als pdf-bestand.
EERSTE OLIE (13)
Neem:
Zout 30 pond
Wijnsteenzuur [precursor potas K2CO3?] 30 pond
As/zout van eiken-of beukenhout of wijnranken [onzuivere K2CO3] 5 pond
Levend kalkzout 5 pond (14)
Zwavel 10 pond
Het mengsel wordt gemalen en gezeefd en daarna verdeeld over meerdere glazen en met geconcentreerde azijn overgoten en zo nu en dan geroerd. Vervolgens gekookt gedurende 30 minuten en gefiltreerd om daarna de vloeistof te laten uitzakken om deze daarna te decanteren. Alle heldere vloeistof wordt apart gedestilleerd middels een alembiek en alle over gedestilleerde vloeistof wordt in één vat verzameld. Het residu wordt het filosofische zout genoemd. Dit zout is vettig, makkelijk smeltbaar en heeft de kleur van kastanjes.
Opmerkingen over het traktaat van Cornelius de Lannoy
De inhoud van het traktaat is voor een hedendaagse lezer niet overal toegankelijk. Het eerste stuk over het prepareren van oliën en diverse waters leest als een chemisch voorschrift, maar wel uit de 16e eeuw. Opvallend dat er in het traktaat kwantitatief gewerkt wordt en dat Cornelius de Lannoy goed op de hoogte lijkt van alle praktische zaken in een laboratorium. In de werkwijze van Cornelius herkennen we al elementen van de scheikunde, zoals we die nu kennen.
Het tweede stuk (‘waar de natuur stopt en de kunst begint’) heeft een geëxalteerde toon, waar hij zelf ook zegt dat woorden te kort schieten. Het gaat hier over de tweede zijde van de alchemie waarin gezocht wordt naar het hogere, het mysterie van God.
Het traktaat suggereert volledige openheid van zaken te geven maar al in de tijd van Cornelius de Lannoy ontstonden er bedenkingen. Koningin Elizabeth I en Cecil waren ervan overtuigd dat hij bewust stukken heeft weggelaten om de cruciale kennis voor zichzelf te houden.
De gebruikte Latijnse afkorting V. S. R. M. in verband met koningin Elizabeth I staat vermoedelijk voor "Vestrae Sacrae Regiae Maiestatis" (Your Sacred Royal Majesty).
Brief aan Johann Albrecht I, Herzog zu Mecklenburg
Cornelius de Lannoy heeft een handgeschreven brief (twee pagina’s) in het Latijn gestuurd naar Johann Herzog von Mecklenburg (1525-1576). Deze brief is nog aanwezig in het Landeshauptarchiv Schwerin en is digitaal beschikbaar (15). Het handschrift van Cornelius de Lannoy is helaas moeizaam leesbaar. Ook via het programma Transkribus is de toegankelijkheid beperkt en helaas onvolledig (16).
In de bibliografische gegevens wordt 1594 aangegeven, maar dat zou rijkelijk laat zijn omdat na 1571 niets meer van Cornelius de Lannoy vernomen is. Op de briefomslag staat in later handschrift ”sine data”, wat aangeeft dat datum niet bekend is.
De geadresseerde hertog Johann Albrecht I wordt beschreven als een moderne renaissancevorst, die een beschermer was van kunst en wetenschappen en die openstond voor de wetenschappelijke ontdekkingen in zijn tijd. Johan Albrecht I bezat een uitgebreide bibliotheek, die later in het bezit kwam van de Universiteit van Rostock. Hij had een grote interesse in wetenschappelijke instrumenten, astronomie en cartografie (17).
Opmerkingen bij de brief aan hertog Johann Albrecht I
De eerste pagina van de brief is helaas mondjesmaat leesbaar. Wel schermt Cornelius de Lannoy met de zogenoemde ”prisca sapientia” (= wijsheid der ouden), die hij verkregen heeft via contacten over de hele wereld (18). Hij refereert naar de oude Grieken, Hebreeërs maar ook oude wijzen in Duitsland, Tallinn (?) en Constantinopel. In zijn brief naar William Cecil in Engeland maakt hij van dezelfde tactiek gebruik als hij het heeft over kennis uit Egypte, Arabië, Perzië en van Israëlieten en refereert naar invloedrijk werk van Johannes Pantheus - Voarchadumia contra Alchimiam (1530) (19). De vraag is of zijn gebruik van een oude aliasnaam in deze context moet worden bezien. Probeert hij als betrouwbaar iemand met een goede kennis van de laatste stand van wetenschap maar ook van de ”prisca sapientia” over te komen? In zijn brief aan hertog Johann Albrecht I geeft hij aan uit voorname familie te komen met een belangrijk netwerk van vooraanstaande mensen.
In de tweede pagina van de brief wordt hij meer specifiek over zijn voorstel om goud te maken voor de hertog. Hij geeft de garantie dat hij geen bedrieger is en dat hij de kunst driemaal met eigen ogen gezien heeft en met eigen handen heeft verricht. De hertog zou hem een laboratorium ter beschikking moeten stellen. Hij zal daar ongestoord drie jaar kunnen werken aan zijn grote project en daarbij wil hij ook een leerling opleiden. Als vergoeding spreekt hij over 2.000 marken.
Er is helaas niets bekend over eventuele verdere verwikkelingen en Cornelius de Lannoy verdwijnt in de nevelen van de geschiedenis.
Biografie
- Thesis Michael. J. Devine - John Prestall: A Complex Relationship with the Elizabethan Regime (2009), Victoria University of Wellington.
- Thesis James Stuart Campbell - The Alchemical Patronage of Sir William Cecil, Lord Burghley (2009), Victoria University of Wellington.
- Thesis Sienna Louise Latham - “Lady Alcumy”: Elizabethan Gentlewomen and the Practice of Chymistry (2010), Victoria University of Wellington.
Noten
- Annelies van Gijsen, 'Isaac ‘Hollandus’ en de Steen der Wijzen', lezing in het 'Symposium Zilver & Goud', 29 november 2016 te Schoonhoven.
- De Lannoy (Belgisch adelsgeslacht), bron: NL Wikipedia.
- De Lannoy (Nederlands adelsgeslacht), bron: NL Wikipedia.
- John Prestall: A Complex Relationship with the Elizabethan Regime (thesis Michael J. Devine (2009), Victoria University of Wellington.
- Joseph Stevenson (ed.), CSPF 1564-5, London, 1870, p. 267. (Reference 14 in thesis M.J. Devine).
- William Cecil, 1st Baron Burghley, bron: Engelse Wikipedia.
- Williams, The Tudor Regime, p. 71. (Reference 20 in thesis M.J. Devine).
- Alchemy in the English State Papers (zie de link).
- John Prestall, pg 79-80.
- A. Hartshorn, Old English Glasses (1891), pg 151-2 (zie de link).
- John Prestall, pg 80-82.
- Bodleian Library MS. Ashmole 1418. 60 + 111 + 17th Century [1606.] (zie de link).
- Met de term olie wordt hoogst waarschijnlijk een vloeibare niet-waterige fractie bedoeld.
- Levend kalkzout: hiermee kan ongebluste kalk CaO of CaCl2 bedoeld worden vanwege de warmteontwikkeling tijdens oplossen.
- Brief Cornelius de Lannoy aan Johann Herzog von Mecklenburg (zie de link).
- Ontsluit het verleden met Transkribus.
- Johann Albrecht I. (Mecklenburg), bron: NL wikipedia.
- Alchemisten uit de Renaissance geloofden dat filosofieën van onder andere de Grieken, Joodse mystiek (Kabbalah), en Egyptische bronnen allemaal delen van dezelfde fundamentele waarheid leerden.
- Thesis James Stuart Campbell - The Alchemical Patronage of Sir William Cecil, Lord Burghley (2009), Victoria University of Wellington, pg 79.
_____________________________________________________
Jacob van Dijk CHG lid
Eric Wils CHG lid
Met dank aan Ernst Homburg voor zijn correcties/opmerkingen.
Februari 2026
